Aan de slag met referentieniveaus

Wat weet jij allemaal over de referentieniveaus? Hoe ga je aan de slag met referentieniveaus? Alle leerkrachten van groep 1 t/m 8 zouden moeten weten wat de leerlingen op hun school aan het eind van groep 8 moeten kennen en kunnen. We moeten allemaal van de doorgaande lijn weten. Tot mijn grote verbazing lijkt het op veel scholen meer iets te zijn voor de leerkracht groep 8 en directie/intern begeleider. Zo heb ik pas nascholing over dit onderwerp gevolgd en er zaten werkelijk alleen maar leerkrachten groep 8, directeuren en intern begeleiders. Het kan natuurlijk zijn dat zij dit allemaal keurig delen met hun collega’s en er zo een professionele leergemeenschap binnen de school is, maar eerlijk gezegd betwijfel ik dat.

Waarom moeten alle leerkrachten op een school op de hoogte zijn van de referentieniveaus?

Ik vind dat alle leerkrachten moeten weten wat de leerlingen op hun school aan het eind van groep 8 moeten kennen en kunnen. Het is een voorwaarde om met elkaar een doorgaande lijn te kunnen creëren van groep 1 tot en met groep 8. Welke stappen zet je als school op weg naar het halen van de wettelijk vastgelegde referentieniveaus? Je moet weten waar je leerlingen vandaan komen en waar ze naar toe moeten. Om als school een doorgaande leerlijn te kunnen garanderen is dan ook een TEAMprestatie nodig.

Mijn nekharen gaan dan ook altijd overeind staan als ik leerkrachten hoor zeggen: “Mijn collega van groep 8 heeft het zo goed gedaan, we hebben een voldoende gescoord op de eindtoets.” Het is niet alleen de leerkracht van groep 8 die een prestatie heeft neergezet met haar/zijn klas. Het is een prestatie van de hele school. Zonder mijn collega’s van groep 1 t/m 7 zou ik als juf van groep 8 nergens zijn!

Als ik mijn methode volg, dan kom ik er wel

Als ik een goede methode heb voor rekenen of taal dan ben ik er toch wel? Ik volg gewoon mijn methode, doe af en toe een coöperatieve werkvorm of aan bewegend leren passend bij de les van die dag en dan is het toch prima? Mijn methode garandeert dat het voldoet aan de referentieniveaus. Dus het zal wel in orde zijn. Als school wil je tijdens de acht jaar dat een leerling op je school zit inzicht krijgen in de vraag of die leerling zich goed ontwikkelt in relatie tot de referentieniveaus. De methodetoetsen toetsen de aangeboden stof, maar vertellen je niet of je leerlingen op schema zitten. Om deze reden nemen scholen methode onafhankelijke toetsen af. Deze toetsen worden vaak twee keer per jaar afgenomen en aan de hand hiervan evalueer je, stel je bij en maak je plannen. Alleen ook deze toetsen zeggen niets over de ontwikkeling van leerlingen in relatie tot de einddoelen van het onderwijs. Leerlingen worden ingedeeld in niveaus en die niveaus hebben geen enkele relatie tot de referentieniveaus.

Wat houden die referentieniveaus dan in?

Sinds augustus 2010 is de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen van toepassing. Referentieniveaus zorgen dat het voortgezet onderwijs goed aansluit op het basisonderwijs en daarna weer op het vervolgonderwijs. De niveaus bepalen welke stof een leerling moet beheersen in welke fase van zijn schoolloopbaan.

Het grootste verschil met de kerndoelen is dat de kerndoelen een aanbodverplichting hebben en referentieniveaus een opbrengstverplichting.  Kort gezegd: je moet de stof niet alleen aanbieden, de kinderen moeten de stof ook gaan beheersen!

De referentieniveaus op de basisschool: op weg naar 1F, 1F en 2F/1S

Aan het eind van de basisschool moeten de leerlingen minimaal het basisniveau 1F beheersen, maar het gewenste niveau ligt hoger. De overheid heeft de wens uitgesproken dat het grootste deel van de leerlingen aan het eind van de basisschool een hoger niveau behaalt: 2F/IS (het streefniveau). Niet alle kinderen zullen het streefniveau halen. In het vervolgonderwijs zijn de referentieniveaus vereist om het diploma te kunnen behalen. Zo moeten leerlingen aan het eind van hun vmbo-opleiding 2F beheersen en moeten leerlingen die de havo doen 3F halen en vwo-leerlingen op taalgebied zelfs 4F en voor rekenen 3F om door te kunnen stromen naar een vervolgopleiding passend bij hun middelbare schoolniveau.

Aan de slag met referentieniveaus

Hoe start ik? Maak als team voor iedereen helder wat de verplichtingen zijn. Naar welk niveau moeten de leerlingen gebracht worden en hoe ziet dat niveau eruit? Welke typen teksten horen daarbij, welke rekensommen horen daarbij?

Stel dan met elkaar ambities: wij willen aan dat onze leerlingen aan het eind…. Uitgangspunt van deze ambities zijn de uitstroomniveaus van de laatste drie schooljaren. Hiervan neem je het gemiddelde. Dit vergelijk je met de landelijke ambitie en dan stel je de ambitie voor jouw school op.

Even een voorbeeld: over de afgelopen drie schooljaren haalden (gemiddeld gezien!) 56% van mijn leerlingen 2F niveau op het gebied van taalverzorging. De overheid heeft als ambitie gesteld dat 65% van de leerlingen op het gebied van taalverzorging met 2F niveau de basisschool verlaat. Dit is voor mijn school een gat van 9%. Ik kan verklaren hoe wij maar tot 56% komen en ik weet op welke punten wij binnen onze school winst kunnen behalen. Dit bespreken wij in het team en er wordt een nieuwe ambitie bepaald met een plan van aanpak om deze ambitie te halen.

Dit plan van aanpak is voor mij leidend en niet de hoofdstukken uit mijn methode.

De landelijke ambities

De overheid heeft de volgende ambities opgesteld:

  • 85% van de leerlingen verlaat de basisschool met 1F niveau (15% haalt dan het niveau “op weg naar 1F”);
  • 65% van de leerlingen verlaat de basisschool met 2F/1S niveau.

Met mijn blog wil ik niet beweren dat ik alle wijsheid in huis heb. Ik doe mijn werk naar eer en geweten. Ik stel hoge doelen, maar deze doelen zijn wel realistisch. Ik moedig mijn leerlingen aan, ik daag ze uit en loop met ze mee en naar mijn mening werkt dit het best als mijn onderwijs boeiend is en ik kinderen enthousiast krijg om de uitdaging aan te gaan. Heb jij nog tips voor mij?

Op de site van de rijksoverheid kun je meer lezen over de referentieniveaus. 

Voor groep 8 heb ik een leermiddel gemaakt waarbij ik zoveel mogelijk sommen passend bij de referentieniveaus sommen heb gemaakt. Deze vind je hier: 40 weken rekenen.

hoogsensitieve kinderen in de klas

Hoogsensitieve kinderen in de klas

Welk leerkrachtgedrag kan ik het beste laten zien om hoogsensitieve kinderen in de klas tegemoet te komen. Met deze insteek ging ik vorige week naar een congres over hoogsensitieve kinderen in de klas.

Om half acht ’s ochtends vertrok ik voor een rit van 2 uur vanuit Zeeland naar Amersfoort. Ik had een half uur speling en dacht dat dit wel voldoende zou zijn. Not. Ik had drie kwartier vertraging in viel tijdens de opening van de dagvoorzitter de zaal nog binnen. Lekker begin van de dag. Niet echt, want ik had mezelf in de auto al helemaal zenuwachtig zitten maken en had zelfs al de neiging om de afslag te nemen en aan de andere kant in te voegen om weer veilig naar Zeeland te rijden.

Mythes over hoogsensitiviteit


Er wordt veel gesproken over hoogsensitiviteit, maar niet alles wat er gezegd wordt is waar. Zo is hoogsensitiviteit wel wetenschappelijk aangetoond en is het een eigenschap die bij ongeveer 1 op de 5 mensen aanwezig is. Hoogsensitieve kinderen kunnen zowel introvert als extravert zijn. Hier kom ik later nog op terug. Doordat veel mensen hoogsensitiviteit niet (h)erkennen zijn er de afgelopen decennia veel misdiagnoses gesteld. Kinderen kregen een label ADD of ADHD, terwijl ze eigenlijk onder- of overprikkeld waren en daardoor druk of juist niet druk werden gevonden. Voor hoogsensitieve kinderen in de klas kan een kleine aanpassing al veel verschil maken.

Hooggevoelig of hoogsensitief?


Hooggevoeligheid is de term die vaak gebruikt wordt als vertaling van HSP, maar eigenlijk is dat niet helemaal correct. Hoogsensitiviteit (HSP) is namelijk de officiële correcte term. Nog even in een notendop wat dat ook alweer is: hoogsensitieve mensen verwerken alles diepgaander dan mensen die niet hoogsensitief zijn.

Er worden vier types hoog sensitieve kinderen onderscheiden:
  1. Introverte rustzoekende HSP (prikkelmijdend)
  2. Extraverte rustzoekende HSP (prikkelmijdend)
  3. Introverte hoogsensitieve HSS (prikkelzoekend)
  4. Extrsverte hoogsensitieve HSS (prikkelzoekend)

De meeste hoog sensitieve personen zijn rustzoekend (70%). Ze kijken de kat uit de boom, observeren, wikken en wegen heel wat af, staan aan de zijlijn en zijn voorzichtig. De overige 30% (HSS) zijn juist prikkelzoekend, ondernemen sneller actie, zijn enthousiast en nieuwsgierig.  Het verlangen naar de ervaring is op zo’n moment groter dan de voorzichtigheid bij de nieuwe situatie.

Het hoogsensitieve kind van 5 tot 12 jaar

Dit type kind heeft orde, regelmaat en rust nodig. Denk aan voorspelbaarheid, structuur, uitleg en deze kinderen hebben het nodig om gezien, gehoord en begrepen te worden.

Het is belangrijk dat de stress beperkt wordt bij hoogsensitieve kinderen. Er MOET erg veel. Wanneer deze kinderen onder stress komen te staan kan dit zich uiten in het volgende gedrag:

  • Zich jonger gaan gedragen;
  • Kleine dingen kunnen plots grote obstakels worden;
  • Sterke emoties of een toegenomen prikkelbaarheid;
  • Meer fysieke problemen zoals allergie, hoofdpijn, buikpijn;
  • Slaapproblemen of nachtmerries;
  • Hangerig gedrag vertonen;
  • Afzonderingsgedrag zoals zich verbergen in de kast.

Onderzoek toont aan dat hoogsensitieve kinderen die onder stress komen te staan op school of thuis meer geneigd zijn om ziek te worden dan niet hoogsensitieve kinderen.

hoogsensitieve kinderen in de klas
Hoe help je hoogsensitieve leerlingen bij het vergroten van hun mentale weerbaarheid?

Enkele tips:

  • Neem hen serieus;
  • Sta achter hen;
  • Laat hen zelf proberen;
  • Oefen van tevoren;
  • Kijk mee;
  • Complimenteer;
  • Maak het bespreekbaar in de klas’
  • Zorg dat hulp vragen laagdrempelig is (tip: maak een kletsdoos/schriftje waar het kind dingen in kan schrijven en kijk daar dagelijks in en maak daarna een kort praatje met het kind).
Hoe leren hoogsensitieve kinderen in de klas?
  • Vaak zijn hoogsensiteve kinderen beelddenkers;
  • Ze zijn ruimtelijk visueel ingesteld;
  • Ze leren het beste topdown;
  • Ze leren door te ervaren, voelen – ruiken;
  • Ze leren door er functionele tekeningen erbij te maken;
  • Door middel van mindmappen;
  • Ze hebben behoefte aan korte en duidelijke opdrachten.
hoogsensitieve kinderen in de klas
EHBO: eerste hulp bij overprikkeling

Wat kun je doen als een kind overprikkeld is?

  • Time-out geven: uit de situatie halen;
  • Laat ze zich ergens op concentreren;
  • Adem samen in en uit;
  • Laat overprikkelde leerlingen gekruiste bewegingen maken;
  • Geef deze leerlingen iets kouds in handen of leg het in de nek;
  • 3x een vraag stellen waarop ja als antwoord wordt gegeven;
  • Ga op gelijke hoogte zitten, bewaar rust en geef nabijheid.

Ik heb deze dag veel geleerd, ook al waren er veel zaken bij waarvan ik dacht: “dit geldt voor alle kinderen”, maar het maakte mij wel weer even bewuster van mijn leerkrachtgedrag.

Heb jij nog tips voor het werken met hoogsensitieve kinderen in de klas?

Conferentie Close Reading

Afgelopen vrijdag ben ik met een collega naar de conferentie Close Reading van Expertis in Bunnik geweest. Afgelopen april ben ik met dezelfde collega geweest en toen waren er nog zoveel workshops die we wilden volgen dat we nu dus weer mochten. In mijn blog lees je wat ik die dag allemaal heb gehoord. 

Wat is Close Reading?

Close Reading is een verdiepende manier van begrijpend lezen waarbij de inhoud van een complexe tekst centraal staat en kinderen op een actieve manier aan de slag gaan met de tekst. Herlezen, aantekeningen maken, samenvatten, monitoren, samenwerken, redeneren, discussiëren, en reflecteren zijn belangrijke vaardigheden die hierbij centraal staan.

Waarom niet gewoon begrijpend lezen?

De afgelopen jaren waren mijn leerlingen niet bepaald gelukkig met het vak begrijpend lezen. Een hoop gezucht en gesteun als ik aankondigde dat we door gingen naar begrijpend lezen. De teksten waren saai, de vragen waren stom en de inzet was minimaal. Betrokkenheid wist ik zo goed als niet te creëren. Tot ik las over Close Reading en dit eens ging uitproberen in mijn klas: “dit was echt een toffe les!”, “Hier heb ik veel van geleerd!”, “Het is helemaal niet erg om deze tekst drie keer te moeten lezen!” en zo kan ik nog wel meer reacties vertellen die ik in mijn klas hoorde. 

Hoe ziet Close Reading er dan uit in de praktijk?

Voordat ik mijn lessen kan geven, moet ik eerst op zoek naar een geschikte tekst. Ik vind het heel belangrijk om de verschillende vakken met elkaar te verbinden. Vaak sluit de gekozen tekst dan ook aan op mijn taalthema of op het thema wereldoriëntatie. Deze tekst vind ik in informatieve boeken, in tijdschriften, in kranten of in leesboeken. Ik probeer hierin te variëren, maar merk wel dat ik informatieve boeken het prettigst vind. 

Sessie, 1, 2 en 3

Elke sessie beginnen we met het lezen van de tekst. Daarna geef ik de les volgens het EDI principe: ik doe het voor, wij doen het samen, jullie doen het samen. De eerste vraag doe ik dus voor, de tweede vraag doen we samen en de derde vraag en verder doen ze in twee- of drietallen. Wat ik heel belangrijk vind in deze fase van de les is dat ik meerdere groepjes antwoorden laat geven en de kinderen met elkaar over de antwoorden laat discussiëren. Het belangrijkste aan een antwoord is dat ik het bewijs in de tekst moet kunnen vinden, dus geen “ik heb op gezien dat…” of iets dergelijks. 

Bij sessie 1 richt je je op algemene begripsvragen, tijdens sessie 2 richt je je op vragen over de belangrijkste details, woordenschat en tekststructuur en tijdens sessie 3 stel je vragen over de bedoeling van de schrijver en stel je vragen over opinies, argumenten en leg je verbanden met andere teksten. 

 

Lezing

De dag begon met een lezing: Close Reading in alle vakgebieden om de vakspecifieke leesvaardigheid te stimuleren.  Tijdens deze lezing werd benadrukt dat Close Reading geen methode is, maar een aanpak waarbij het gaat om:

  • diep tekstbegrip
  • analyse van de tekst en tekststructuur
  • de inhoud van de tekst staat centraal 
  • een tekst meerdere keren lezen aan de hand van tekstgericht vragen 
  • aantekeningen maken 
  • discussies over de tekst 

De volgende redenen werden genoemd om Close Reading in te zetten bij verschillende vakgebieden:

  1. Begrijpend lezen wordt geïntegreerd in het curriculum en niet gezien als apart vak.
  2. Close Reading geeft mogelijkheden om vakspecifieke kennis te vergaren. 
  3. Er ontstaan kansen om instructie te geven op vakspecifieke leesvaardigheden. 
Workshop: selecteren van boeken en teksten voor Close Reading

Waar let je op bij het selecteren van een geschikt boek of een geschikte tekst? Een goede tekst geeft veel mogelijkheden om leerlingen te laten oefenen met vaardigheden om tot dieper tekstbegrip te komen.

Kwantitatieve aspecten waar je op moet letten bij het kiezen van een tekst:

  • aantal woorden in een zin
  • lengte van woorden (aantal klankgroepen)
  • lengte van zinnen 
  • lengte van de tekst 
  • aantal bijzinnen
  • AVI niveau

Kwalitatieve aspecten waar je op moet letten bij het kiezen van een tekst:

  • tekststructuur
  • taalkundige kenmerken 
  • betekenis van de tekst
  • bedoeling en gedachten van de schrijver
  • kennisniveau 
Workshop: close looking 

Dit is een variant op close reading waarbij de illustraties centraal staan. Illustraties ondersteunen of vervangen dan zelfs de tekst. Soms vertellen de illustraties een eigen verhaal, vol onverwachte verrassingen en inzichten. Met behulp van een aantal gerichte vragen kan kijken en genieten zich dan verdiepen tot zien en begrijpen. De boeken van Charlotte Dematons lenen zich hier heel goed voor en zijn zelfs voor de bovenbouw nog een feest der herkenning om in te kijken. 

Workshop: Instructieteksten inzetten bij Close Reading

Een instructietekst is een tekst die hulp biedt bij het uitvoeren van een taak. Denk aan recepten, een gebruiksaanwijzing, handleidingen etc. 

Een hele leuke tip die we kregen was om de handleiding van een spelletje te nemen als tekst (bijvoorbeeld het spel Uno) en deze dan helemaal uitpluizen en als afsluiting (sessie 3) dit spel in groepjes in de klas spelen. Hebben de kinderen de handleiding begrepen en kunnen ze de spelregels toepassen? Handleidingen van spelletjes kun je vinden op www.gebruikershandleiding.com 

Workshop: Differentiatie bij Close Reading

In principe is het niet nodig om te differentiëren bij Close Reading. Vaak is het zo dat de sterke leerlingen uit zichzelf al veel dieper de tekst in duiken en bij zwakke leerlingen model je meer als leerkracht.

Verder zie je dat in de sessies de taxonomie van Bloom ook wordt toegepast. In je vraagkeuze kun je hier natuurlijk ook rekening mee houden. 

Wat ik wel doe is dat tijdens mijn sessies is dat zwakke leerlingen maar 3 kenmerken of 3 gevolgen hoeven te zoeken en te benoemen en dat de sterke leerlingen er 5 moeten vinden in de tekst. 

Ook kun je zwakke leerlingen een voorsprong geven door een stukje pre-teaching. 

Vormgevers 

Als laatste wil ik je nog een tip geven: vormgevers.

Vormgevers zijn organizers die je perfect kunt inzetten tijdens je lessen Close Reading. Ik maak zelf graag gebruik van Venn-diagrammen, gebeurteniskettingen, stroomdiagrammen etc. Het helpt de leerlingen om de tekst beter te begrijpen en alle informatie goed te ordenen. Meer informatie en uitleg vind je hier: natuurlijk leren.

Ook heb ik ze allemaal verzameld op mijn Pinterest bord: vormgevers. 

Winactie

Volg je mij al op sociale media? Doe dat snel, want…. binnenkort komt er een winactie op mijn Instagram en Facebook waarbij ik het boek Close Reading verloot.

Een dag(je) naar het Pica congres

Woensdag 18 september ben ik met mijn collega’s om 7.30 uur vertrokken voor ons bezoek aan het Pica Congres in Bunnik. Vorig jaar wilde ik ook al graag gaan, maar lukte het niet (geen vervanging, nascholingsbudget was al op… je kent het vast wel). Dit jaar kon ik gelukkig wel van de partij zijn en wel met mijn (bijna) hele team. De leerlingen een dagje vrij en wij studiedag!

Lezing van Kees van Overveld

Op de site las ik dat er meer dan 500 deelnemers zich hadden aangemeld voor het Pica Congres! Het was er dan ook gezellig druk, maar niet te druk (nou vooruit bij de damestoiletten dan). De dag startte met een pakkende lezing door Kees van Overveld. Hij vertelde over het functioneren van moeilijke klassen en wat er mis kan gaan in de interactie tussen leerkracht en leerlingen. Gelukkig gaf hij ook heel veel tips om dit te voorkomen of te veranderen. Hij adviseert om chaos-tijd in te plannen, 3 minuten tussen 2 lessen zodat leerlingen even kunnen ontladen. Deze tip pas ik al toe en mijn leerlingen worden hier altijd heel gelukkig van. Hij liet in zijn presentatie ook een briefje zien waarop hij geturfd had hoe vaak de juf in die klas ssst zei… Oeps! Daar ga ik volgende week opletten! Zijn belangrijkste tip: blijf lachen voor de klas! Gelukkig heb ik daar niet heel veel moeite mee. Op het eind van zijn lezing kreeg iedereen zijn nieuwe boek mee naar huis! Een uitgebreide recensie volgt zeker over dit boek! Het ziet er in ieder geval heel toegankelijk en praktisch uit!

Bij het inschrijven voor het Pica Congres moest je jouw workshop voorkeuren voor die dag al opgeven. Er was keus uit 25 workshops, waarvan een aantal meerdere keren werden gegeven! Helaas kon ik niet naar de Masterclass Gedragsoplossingen van Kees van Overveld, deze was al vol.   

Workshopronde 1: de begeleiding van leerlingen met angstproblemen

Mijn eerste workshop was: De begeleiding van leerlingen met angstproblemen en werd gegeven door Tamara Luijer. Een groot deel van de stof was al bekend voor mij, doordat ik de kindercoachopleiding had gevolgd. Wat ik wel heel knap vond van Tamara was dat ze het allemaal heel eenvoudig kon uitleggen op kinderniveau. Ze legde uit over het reptielenbrein en het angstbelletje in ons hoofd, wat vroeger een heel belangrijke functie had. Vandaag de dag geeft het angstbelletje vaak een vals alarm af. Het kind kan er niets aan doen dat het angsten heeft, het moet leren dat het vals alarm is en de rode gedachten zien om te buigen naar groene gedachten. Dit kun je als leerkracht doen door met het kind te praten over de gedachte – het gevoel – het gedrag dat je hebt bij angst. Een gevoelsthermometer kan deze leerlingen ook helpen.

Workshopronde 2: onderwijs op maat voor (hoog)begaafde leerlingen 

Workshop ronde 2 ging ik naar Wilna van den Brink en Marije den Otter van Briljant Onderwijs voor de workshop “Onderwijs op maat voor (hoog)begaafde leerlingen”. In deze workshop werd ingegaan op de onderwijsbehoeften van (hoog)begaafde leerlingen, zowel op cognitief, sociaal-emotioneel als meta-cognitief vlak. Door te compacten (door voortoetsen kun je leerdoelen selecteren en stof die beheerst wordt, kan worden geschrapt) hebben deze leerlingen meer tijd om te verrijken. Verrijken kan op meerdere manieren: vakgebonden door leerlingen uit te dagen met werkboekjes als rekentijger en plustaak, ook kan het door leerlingen modules te laten volgen. Denk bijvoorbeeld aan een module “leren mindmappen voor kinderen”. Daarnaast kun je ook verrijken door het werken met projecten. In een project leren deze kinderen veel nieuwe informatie, ordenen ze deze informatie en maken ze er een passende verwerking bij. Tot slot werd er stilgestaan bij de Taxonomie van Bloom. Het belang van het hogere orde denken voor dit type leerlingen. Op hun site kun je meer lezen over het werken in projecten.

Workshopronde 3: versterk metacognitie en zelfsturing bij leerlingen

De laatste workshop van de dag was ook weer een interessante: Versterk metacognitie en zelfsturing bij leerlingen door Inge Verstraete. Inge is co-auteur van het “Handboek Leren Leren”. Ook bij deze workshop kreeg ik heel veel inspiratie om creatief aan de slag te gaan in de klas. Hier ga je zeker nog meer over terugzien op mijn site! Als leerkracht versterk je het denken of breng je het denken van de leerling opgang door reflectieve vragen te stellen. Veel leerlingen gaan zich hierdoor leerkrachtafhankelijk opstellen en wachten totdat wij hen tijdens of na de taak aanwijzingen geven. Het is belangrijk om leerlingen te leren reflecteren op hun werk en om hen te helpen kun je dit het beste visualiseren. Een visualisatie ondersteunt leerlingen in de klas om zelf het eigen leerproces te monitoren en waar nodig bij te sturen.  Hoe belangrijk vind jij het dat leerlingen leren om in de gaten te houden of ze nog op de goede weg zijn? Ik vind dit heel belangrijk in de klas en heb mezelf aan het eind van de dag het “Handboek Leren Leren” cadeau gedaan!

Na deze workshop was er nog een moment voor een gezellige afsluiting en was het weer tijd om in de auto te stappen en naar huis te rijden. Het was een hele gave dag en ik ben zeker van plan om volgend jaar weer te gaan! Volgend jaar is het Pica Congres op 16 september 2020. Ik zou zeggen, noteer het alvast in je agenda!