Executieve Functies: werkgeheugen

Je staat er niet bij stil, maar de hele dag door maak je gebruik van je werkgeheugen. Je slaat dingen op, voor korte of langere tijd, bewust en onbewust. Je onthoudt waar je dingen hebt neergelegd of denkt terug aan een leuk dagje uit. Sommige dingen blijven je bij en sommige dingen vergeet je weer. Maar wat is dat nu precies je “werkgeheugen”?

Definitie

Het werkgeheugen helpt je om informatie vast te houden en te bewerken bij het uitvoeren van taken. Daarnaast gebruik je het om eerder geleerde kennis, vaardigheden, ervaringen of probleemoplossingsstrategieën toe te passen in een actuele of toekomstige situatie.

Leeftijd

Het werkgeheugen ontwikkelt zicht tussen de leeftijd van 4 tot 15 jaar tot een niveau dat voor een groot deel gelijk is aan de mogelijkheden in de volwassen leeftijd. Een kleuter doet bijvoorbeeld een beroep op zijn werkgeheugen met het maken van een puzzel, het luisteren naar een verhaaltje en het onthouden van een korte opdracht. Een leerling uit groep 3 t/m 5 gebruikt zijn werkgeheugen bij het hoofdrekenen of het toepassen van eenvoudige regels bij de gymles. In de bovenbouw van de basisschool verwachten we van leerlingen dat ze complexe regels al kunnen toepassen tijdens bijvoorbeeld de gymles of dat ze aanwijzingen kunnen opvolgen die uit meerdere stappen bestaan.

Verschillende vormen van geheugen

Als we het hebben over het geheugen dan denken we meestal aan alle dingen die we moeten onthouden, het ophalen van feiten en gebeurtenissen. Deze dingen slaan we op in het langetermijngeheugen. Daarnaast kennen we ook het kortetermijngeheugen. Daarin slaan we dingen op voor enkele uren of dagen. Je kortetermijngeheugen is een tijdelijke opslagplaats en heeft daardoor ook een beperkte capaciteit: je kunt nu eenmaal niet alles onthouden. Daarom is het zo belangrijk om de transfer van het kortetermijngeheugen naar het langetermijngeheugen te maken. Tenslotte kennen we ook nog het zintuigelijk geheugen. Dit geheugen is belangrijk voor de verwerking van informatie die via onze zintuigen binnenkomt. Denk aan de dingen die je proeft, voelt, ruikt en hoort.

Hoe activeer je informatie uit je geheugen?

Je werkgeheugen doet actief iets met de informatie die binnenkomt. Denk bijvoorbeeld aan het maken van redactiesommen. In je hoofd voer je dan een stappenplan uit om tot het antwoord te komen. Een andere manier van informatie bewerken is het bedenken van de kortste route van A naar B of het uitruimen van je schooltas en die spullen een plek geven al je thuiskomt. Aandacht speelt een belangrijke rol bij de werking van het geheugen. Ben jij met je gedachten ergens anders, dan is het lastig om informatie te verwerken. Je werkgeheugen bewerkt de informatie waar je op dit moment je aandacht op richt. Wanneer je informatie aan het bewerken bent, doe je er dus iets mee. Het is belangrijk dat gegeven niet passief worden opgeslagen, maar actief vastgehouden. Door informatie paraat te houden creëer je voor jezelf een kader waarbinnen je je gedrag stuurt. Je geeft betekenis aan een situatie en handelt daarnaar.

Wat als je leerling een zwak werkgeheugen heeft?

Wanneer informatie niet actief wordt vastgehouden, dan vergeet je de informatie. Zo kan het dus voorkomen dat een leerling een goed cijfer heeft gehaald op een methodetoets en dat het op een citotoets niet uit de verf komt. De manier van vragen op de methodetoets sluit aan bij hoe de methode de lessen opbouwt en het is stof die uitgebreid in de lessen is ingeoefend. Twee keer per jaar maken de leerlingen een citotoets) en dan wordt alle stof ineens tegelijk getoetst. Dat kan enorm verwarrend werken voor een kind. Daarnaast is de cito-vraagstelling anders en wordt er ook meer inzicht gevraagd om de sterke leerling te scheiden van de minder sterke leerling.

Het werkgeheugen kan getraind en versterkt worden door spelletjes te spelen die een beroep doen op het werkgeheugen, met een oplopende moeilijkheidsgraad.

Los van spelletjes zijn er nog andere dingen die een leerling met een zwak werkgeheugen kunnen helpen om beter te functioneren.

Tips:
  • Kinderen kunnen minder dingen tegelijk onthouden dan volwassenen. Houd opdrachten en vragen zo kort mogelijk.
  • Let op dat je echt de aandacht hebt van de leerling.
  • Maak het onthouden van dingen leuk (bewegend leren, coöperatieve werkvormen).
  • Probeer zoveel mogelijk zintuigen aan te spreken om dingen te leren.
  • Geef duidelijke en concrete voorbeelden.
  • Controleer of de leerling de opdracht/instructie heeft begrepen.
  • Leer de leerling zichzelf te controleren.
  • Herhaling is een sleutelwoord!
  • Maak gebruik van stappenplannen.
  • Maak checklists voor routineopdrachten.
  • Geef aan als je iets belangrijks gaat zeggen.
  • Laat de leerling aantekeningen maken.
  • Geef aan het begin van de les een samenvatting van wat er verteld gaat worden.
  • Probeer informatie zoveel mogelijk te koppelen aan al bekende zaken (kapstok!).
  • Leer het kind geheugensteuntjes aan (Noord Oost Zuid West: nooit op zondag werken).
  • Laat de leerling een markeerstift gebruiken (vooral ook bij het maken van redactiesommen).
  • Geef extra begeleiding bij het maken van toetsen (hoe pak je dit aan, waar begin je, wat doe je als je een opgave niet snapt?)
  • Zorg voor een overzichtelijk toets blad.
  • Geef indien nodig extra tijd om de druk eraf te halen.

Bronnen:

  • Wijzer in executieve functies: 35 spelletjes om executieve functies bij leerlingen te versterken.
  • Gedrag in uitvoering van Diana Smidts en Mariëtte Huizinga.

One Response

Laat een reactie achter

Je e-mail adres zal niet gepubliceerd worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd.